Veel sterker dan andere jaren voelt vandaag als het einde van een jaar, als het einde van een tijdperk. Traditioneel blik je op Oudjaarsdag terug op het jaar dat achter je ligt, op de mooie dingen die hebben plaatsgevonden en op de momenten die misschien wat minder waren. Maar wanneer is een jaar je mooiste jaar tot nu toe? En wanneer het slechtste?

Vanochtend las ik mijn Instagram-post van 31 december 2016 terug: “Nu even geen terugblik op hoe mooi 2016 had moeten zijn en geen vooruitblik op hoe geweldig 2017 gaat worden.” Alsof ik toen, in het jaar dat ik getrouwd was met mijn grote liefde en na de kerst waarin ik mijn huwelijk al tussen mijn vingers door voelde glippen, al wist dat 2017 geen geweldig jaar ging worden. En dat bleek een understatement.

Mijn allerliefste oma overleed in februari en drie dagen voor haar begrafenis vertelde mijn liefde dat hij wilde scheiden, na vijf maanden getrouwd te zijn geweest. Ik moest ons prachtige huis in Utrecht verlaten en voor de tweede keer in een jaar verhuizen. Ik stortte in, zat twee maanden ziek thuis en ben nu nog steeds niet volledig aan het werk. Ik zat in de allerdiepste dalen die ik ooit in mijn leven gekend heb en mijn depressie haalde het allerslechtste en het allerdonkerste in me naar boven. De zomer vormde het absolute dieptepunt en het voelde alsof er nooit meer een licht zou gaan schijnen.

Als ik aan afgelopen jaar terugdenk, is het zonder twijfel het allerzwaarste jaar van mijn leven geweest. Mijn leven spatte uiteen en ik heb de stukjes nog steeds niet allemaal verzameld.

Maar als ik aan afgelopen jaar terugdenk, denk ik ook aan de prachtige begrafenis die we mijn oma gaven (met als topstukken – naar haar eigen wens – een door mijn neefje gemaakte videoclip van clubliederen en doelpunten van Roda JC en als afsluiter “Always Look on the Bright Side of Life” van Monty Python); aan alle liefde en steun die ik van mijn familie en vrienden heb gekregen; aan het feit dat ik nu in een prachtig appartement woont vlakbij mijn allerliefste vrienden en het strand; aan mijn vriendinnen die op een trapladder mijn slaapkamermuur staan te schilderen en mijn vrienden die mijn verhuisdozen omhoog slepen; aan het gesprek met mijn schoonbroer in de stromende regen op Lowlands tijdens het fantastische concert van de Editors; aan alle dingen die ik met behulp van therapie over mezelf geleerd heb; aan de vriend die mij in mijn donkerste perioden iedere dag belt om te horen hoe het met me gaat; aan het geweldige concert van Hurts waarbij ik mij voor het eerst echt realiseer dat het beter met me gaat; aan het leren kennen van de twee prachtige babymeisjes van mijn vriendinnen; aan de avonden bij mijn ouders op de bank met de kat op schoot; aan de tien dagen die ik in mijn eentje in New York doorbracht. En vooral: aan het feit dat ik nog steeds sta, en sterker ben dan ooit.

Was 2017 een slecht jaar? Ja, absoluut. Maar tegelijkertijd was het op zijn eigen manier ook het beste jaar van mijn leven. Omdat ik mezelf leerde kennen, mijn vriendschappen zich verdiepten en ik nu weet dat ik alles aan kan.

Voor het eerst in mijn leven heb ik geen grootse plannen, doelen of voornemens voor het nieuwe jaar. Ik laat 2018 gebeuren, over me heen komen en ga genieten van de grote en kleine mooie dingen. Want dat is de belangrijkste les van het afgelopen jaar geweest: Always look on the bright side of life.

Ik woon nu 11,5 jaar in de Randstad. Daarbij heb ik ook iedere Randstedelijke provincie aangetikt – ik woonde o.a. in Utrecht, Haarlem en Delft – dus ik discrimineer niet. Het Randstedelijke past bij me: de steden (al woon ik nu in een dorp; grenzend aan een stad, dat wel), de mentaliteit, het legioen aan mogelijkheden én het ligt dichtbij het strand. Dik pluspunt. Mijn vrienden wonen hier, ik heb mijn werk in Amsterdam… Geen bulldozer krijgt me weg uit de Randstad.

Mijn roots liggen echter in Limburg. Kind van (stief)ouders geboren en getogen in het Zuiden. Al toen ik nog een opdonder was, wilde ik al weg uit Limburg. To be fair, mijn perspectief van de wereld reek toen niet veel verder dan Eindhoven, dus mijn droom was om daar te gaan wonen (ik lach er nu nog om). Ik vond Limburg saai, bekrompen en wilde niets liever dan me mengen in de wereld die ik alleen van tv kende.

Het gekke is dat ik in de twintig jaar dat ik in Limburg gewoond heb, mezelf nooit als een Limburger gezien heb. Dat kwam pas op het moment dat ik naar Utrecht verhuisde. Want man oh man, wat ben je een bezienswaardigheid als je een zachte G hebt. Hoe vaak ik niet de opmerking “Goh, jij komt hier niet uit de buurt he?” heb moeten aanhoren. Ik voelde me nooit meer Limburger dan tijdens de eerste jaren buiten Limburg. Het maakte dat ik me nog meer tegen mijn afkomst afzette. Ik kon het niet laten om continue denigrerende opmerkingen te maken, de “Ik ben blij dat ik er weg ben” waren niet van de lucht, mijn familie vond ik stom en ik overwoog zelfs logopedie om van mijn accent af te komen. Misschien hoort het bij het ontwikkelen van je nieuwe identiteit als je op eigen benen komt te staan, maar ik verloor echt het contact met de plek waar ik zo liefdevol was opgevoed en opgegroeid.

Dat veranderde toen ik (wat ouder werd en) mijn ex-man leerde kennen. Ook hij groeide op in Limburg maar woonde inmiddels ook al lange tijd boven de rivieren. Allebei compleet vergroeid met en senang in de Randstad, maar opgegroeid in een compleet andere omgeving. Naast zoveel andere dingen verbond het ons. Ik betrapte me er op dat ik jaloers was op het feit dat hij wél moeiteloos kon omschakelen naar een foutloos Limburgs dialect, waarbij ik nog nauwelijks een woord Limburgs spreek. Door hem vond ik mijn liefde voor het vieren van Carnaval terug. En juist bij het vieren van Carnaval vond ik langzaam weer verbinding met mijn roots, want als er iets een ultiem Limburgs volksfeest is dan is het dat wel. Ook zag ik bij een vriendinnetje hoe mooi het kan zijn als je naast je huidige leefomgeving ook nog een andere cultuur hebt waar je basis ligt. Haar trots en verbondenheid daarmee raakte me.

Het grappige is dat wanneer je uit zo’n toch wel heel andere omgeving komt als de omgeving waarin je nu leeft, je eigenlijk bij geen van tweeën volledig hoort: hoewel mijn zachte G al veel minder sterk is, is het voor de mensen hier duidelijk dat ik niet uit de Randstad kom. Als ik echter in Limburg ben, zal niemand meer Limburgs tegen me praten omdat iedereen door mijn accent aanneemt dat ik “een Hollander ben”.

Trots op mijn afkomst is een groot woord, maar ik sta wel weer stevig met mijn benen verankerd in mijn roots. Het heeft iets speciaals om een bepaalde culturele achtergrond te hebben, al gaat het hier ‘slechts’ om een andere provincie in hetzelfde land. Geen haar op mijn hoofd die er aan denkt om de komende dertig jaar terug te verhuizen naar Limburg, maar als ik er ben, voelt het toch weer als mijn thuis. Ik kom er vandaan, en daar opgroeien heeft me deels ook gevormd tot de persoon die ik ben (in positieve en in negatieve zin).

En als me dat even ontschiet, dan zet ik gewoon weer een gekke hoed op mijn hoofd en ga ik met een (alcoholvrij) biertje in mijn hand meehossen op  Limburgse carnavalskrakers.

Er is weinig dat mij in het leven gelukkiger kan maken dan de herfst. Vanaf het moment dat je eind augustus opeens de herfst in de lucht ruikt, ben ik een gelukkig mens. De kleuren van de bomen, het feit dat Kerstmis er aan komt, Pumpkin Spice Latte bij Starbucks, kruidnootjes in de winkel, eindelijk weer kunnen hardlopen (niets vreselijkers dan hardlopen bij temperaturen boven de tien graden) maar most of all: kou en frisheid. Weg zijn die bedompte zomerdagen met vochtigheid, insecten en een brandende zon. Hallo frisse lucht, blosjes op je wangen en de geur van brandend haardvuur. Het maakt mij niet uit of in de herfst de zon schijnt, of dat de lucht grijs is: zolang de temperaturen maar rond de 10-12 graden liggen, zit ik in mijn winterjas op mijn fiets, de lucht opsnuivend als een cocaïne-verslaafde. De klok een uur terug waardoor het eerder donker is? Yes please, ik houd ervan en avondwandelingen in het donker zijn zo veel fijner.

Menigeen zal dit met opgetrokken wenkbrauwen lezen, terugverlangend naar de lange zomeravonden waarbij tot laat met een biertje op het terras gezeten kon worden. En het is niet dat ik daar niet van houd. Maar weet je, drie, vier avonden daarvan is genoeg. Een dagje op het strand liggen in Valencia deze zomer? Vond ik heerlijk. Voor een dag. Zomerjurkjes kunnen dragen? Prima, maar ik word toch gelukkiger van warme vesten, UGGs en sjaals. Waar andere mensen in de herfst- en wintermaanden juist op vakantie gaan naar een warm en zonnig land, ga ik juist naar het mogelijk nog koudere New York voor tien dagen. Waarom? Omdat er voor mij geen ultiemer herfstgevoel bestaat dan Thanksgiving vieren en wandelen door een oranje Central Park.

Nu zal ik absoluut de laatste zijn die de term ‘depressie’ lichtzinnig gebruikt (dat gebeurt tegenwoordig helaas te vaak), maar ik durf wel te beweren dat ‘zomerdepressie’ op mij van toepassing is. Het feit dat ik in de zomer grotendeels thuis zat, maakte mijn depressie er absoluut niet beter op. Sterker nog, ik durf te stellen dat een van de redenen waarom het nu beter lijkt te gaan met me (naast therapie, medicatie en de honderdduizend dingen die ik doe om me beter te voelen), is dat de zomer voorbij is en het herfst is. Echt, waar andere mensen last hebben van winterdepressies, voel ik me het slechtst in de zomer. Ieder jaar weer.

Alle mensen die de kou nu al zat zijn, gun ik een fijne zonvakantie in een warm land, een bezoekje aan de zonnebank of een goede zomer volgend jaar. Maar ik ga nog even zielsgelukkig snuivend een avondwandeling maken, vierend dat het nog 231 dagen is totdat die vreselijke zomer weer begint.

Oma zou vandaag 90 jaar zijn geworden. De leeftijd waar ze zó naar uitkeek. Ze had het zaaltje in het wooncomplex waar ze woonde al gereserveerd en de muzikant ook al ingehuurd, ruim zeven maanden voordat ze jarig zou zijn. Zo’n zin had ze er in. Helaas zal ze altijd 89 blijven, ze overleed op 13 februari.

Mijn lieve oma, die ik zo ontzettend mis. Tijdens haar uitvaart, waarbij honderd man aanwezig waren, haalden we herinneringen op aan alle gekke en lieve dingen die ze deed. Als haar kinderen van opa voor straf zonder eten naar bed moesten, takelde zij stiekem een mandje met eten omhoog naar het slaapkamerraam. Ze was altijd druk aan het rommelen in huis, maar liet alles uit haar handen vallen om uren spelletjes met ons te spelen. Ze sprak me streng toe als ik geen onderhemd droeg onder mijn crop-top bij een temperatuur van dertig graden en liet me geloven dat ze magische krachten had toen ik een oorontsteking had. Ze deed ochtendgymnastiek met ons als we bleven logeren en maakte gebakjes van onze hartige boterhammen. Ze stuurde mijn ex-vriend tot aan haar dood nog verjaardags- en kerstkaarten “want dat was zo’n leuke jongen” (ook al was ik inmiddels getrouwd met een andere man, die ze overigens net zo leuk vond). Haar verjaardagskaarten waren sowieso legendarisch: volgeplakt met spreuken en plaatjes uit reclameblaadjes en tijdschriften.

Oma leerde ons het positieve van alles in te zien en bleef altijd vrolijk. Bij alles wat misging gaf ze de schuld aan “dat volk daarboven” of aan de wandelstok waarmee ze tot enkele jaren terug liep en ze maakte van alles in het huishouden een spelletje (bijvoorbeeld pas de afwas doen als de torentjes van serviesgoed op het aanrecht omvielen).  Maar bovenal was ze een heerlijke eigengereide vrouw die werkelijk waar geen snars gaf om wat anderen van haar dachten. Als je haar een advies gaf, keek ze je met een half glimlachje aan en zei ze: “Denk je dat?” om het vervolgens compleet te negeren.

Toen oma overleed, vonden we een envelop met daarin een briefje met haar wensen voor de uitvaart: wie wel en niet uitgenodigd diende te worden, hoe de kist eruit moest zien en welke muziek gedraaid moest worden, met als hoogtepunten: “songs en tunes van Roda JC (naast opa haar grote liefde) en Always Look on the Bright Side of Life van Monty Python. Yep, echt waar.

Lieve oma, zoals Frank Sinatra op jouw uitvaart zong: you did it your way, en een mooiere levensles had je ons niet kunnen geven.

 

Eind september 2016, Formentera. Mijn toenmalige geliefde en ik zijn op huwelijksreis, maar ik zit niet lekker in mijn vel. Al maanden niet, als ik heel eerlijk ben. Nog meer dan normaal kan ik bijvoorbeeld niet tegen abnormale of harde geluiden, in dit geval de krekels die zich hoorbaar maken zodra de zon opkomt. Huilend, bijna krijsend zit ik in ons appartement, in staat om mijn haren uit mijn hoofd te trekken of mijn hoofd tegen de muur te bonken.

Enkele dagen later. Na nog een paar moeilijke momenten drinken we ’s avonds een wijntje in het dorp. Dat is de eerste keer dat ik het uitspreek: “Volgens mij heb ik weer een depressie”. Ik leg mijn geliefde uit hoe het de keren ervoor was en hoe meer ik er over nadenk, hoe meer het tot me doordringt: “Shit, het is weer zover”.

Na onze vakantie ga ik naar de huisarts die al na een paar minuten de verwijzing naar de psycholoog opstelt. Na twee gesprekken komt de diagnose en kan ik het niet meer ontkennen want het staat zwart-op-wit in het behandelplan: een ernstige depressie. Een therapie-traject volgt. Dat lijkt zijn vruchten af te werpen totdat het stuklopen van mijn huwelijk en de dood van mijn oma begin dit jaar me het laatste zetje over de rand geeft. De zwarte hond is definitief (althans met een huurcontract van minimaal een jaar) bij mij ingetrokken.

Rond de tijd dat ik mij in Formentera realiseer dat het niet goed met mij gaat, lanceert de Rijksoverheid een landelijke campagne met als doel depressie bespreekbaar te maken en de kennis erover te vergroten. 1 op de 20 Nederlanders worstelt met een depressie en de campagne moet het taboe omtrent deze ziekte wegnemen.

Het woord ‘taboe’ doet mij altijd denken aan de illustere dingen die op de late zondagavond bij Jambers te zien waren. In mijn hoofd refereert ‘taboe’ aan duistere (seksuele) voorkeuren, dingen op de rand van de illegaliteit en meer conventionele dingen die in een dorp in de Biblebelt toch nog steeds achter gesloten deuren plaatsvinden.

Behoort een depressie hiertoe? Voor veel mensen zeker wel, maar de ziekte lijkt toch minder in het verdomhoekje te zitten. We worden – helaas – bedolven onder de nieuwsberichten van wederom een zelfmoord van een artiest die onder invloed van een depressie geen andere uitweg meer zag. Tijdschriften wijden uitgebreide artikelen aan de ziekte en de #insidemybones-campage van Dotan zorgde voor veel persoonlijke verhalen op social media, waaronder veel verhalen over depressie. Waar een depressie wellicht tien, twintig jaar geleden inderdaad nog de Voldemort onder de ziektes was (the disease who shall not be named), wordt hij nu gemakkelijker in één adem genoemd met griep en voedselallergieën. Toch, zo stelt de minister in het persbericht omtrent de landelijke campagne, is een depressie nauwelijks onderwerp van gesprek.

Ik prijs mezelf meer dan gelukkig dat ik vrienden, familie en een werkgever heb voor wie een depressie absoluut geen taboe is. Iedereen met wie ik (schoorvoetend en soms zelfs beschaamd) mijn huidige state of mind deel, reageert zonder uitzondering positief en ondersteunend. Zoals ik ook deed toen enkele vrienden van mij jaren geleden met mij deelden dat zij leden aan een depressie.

Maar waarom dan toch dat schoorvoetend delen? Omdat we voor onszelf altijd harder zijn dan voor anderen. Mijn therapeut houdt mij deze spiegel keer op keer voor als ik weer verzand raak in een monoloog over al mijn negatieve kanten: “Zou jij dit ook over een vriendin zeggen die een depressie had? Zou jij dit over een vriend zeggen die op dezelfde manier handelt als jij?” Mijn antwoord is steevast (lichtelijk verontwaardigd): “Nee, natuurlijk niet!” Maar het is nu eenmaal heel lastig om op je 31e te moeten accepteren dat je inderdaad iedere dag doodmoe bent en soms niet eens je bed uit kan komen; dat niet 40 uur maar 6 uur per week werken de harde realiteit is en dat de prikkels van een concert of festival nu gewoon even te veel zijn. Het voelt als keihard falen.

Mijn omgeving ziet mijn depressie niet als een olifant in de kamer of een groot taboe. Nee, mijn vrienden hebben de zwarte hond die naast mij loopt geaccepteerd. Ze geven hem zo nu en dan een aai of een koekje, en sturen hem op andere momenten naar zijn hok.

En ik? Ik ben gewoon allergisch voor honden.