Ik woon nu 11,5 jaar in de Randstad. Daarbij heb ik ook iedere Randstedelijke provincie aangetikt – ik woonde o.a. in Utrecht, Haarlem en Delft – dus ik discrimineer niet. Het Randstedelijke past bij me: de steden (al woon ik nu in een dorp; grenzend aan een stad, dat wel), de mentaliteit, het legioen aan mogelijkheden én het ligt dichtbij het strand. Dik pluspunt. Mijn vrienden wonen hier, ik heb mijn werk in Amsterdam… Geen bulldozer krijgt me weg uit de Randstad.

Mijn roots liggen echter in Limburg. Kind van (stief)ouders geboren en getogen in het Zuiden. Al toen ik nog een opdonder was, wilde ik al weg uit Limburg. To be fair, mijn perspectief van de wereld reek toen niet veel verder dan Eindhoven, dus mijn droom was om daar te gaan wonen (ik lach er nu nog om). Ik vond Limburg saai, bekrompen en wilde niets liever dan me mengen in de wereld die ik alleen van tv kende.

Het gekke is dat ik in de twintig jaar dat ik in Limburg gewoond heb, mezelf nooit als een Limburger gezien heb. Dat kwam pas op het moment dat ik naar Utrecht verhuisde. Want man oh man, wat ben je een bezienswaardigheid als je een zachte G hebt. Hoe vaak ik niet de opmerking “Goh, jij komt hier niet uit de buurt he?” heb moeten aanhoren. Ik voelde me nooit meer Limburger dan tijdens de eerste jaren buiten Limburg. Het maakte dat ik me nog meer tegen mijn afkomst afzette. Ik kon het niet laten om continue denigrerende opmerkingen te maken, de “Ik ben blij dat ik er weg ben” waren niet van de lucht, mijn familie vond ik stom en ik overwoog zelfs logopedie om van mijn accent af te komen. Misschien hoort het bij het ontwikkelen van je nieuwe identiteit als je op eigen benen komt te staan, maar ik verloor echt het contact met de plek waar ik zo liefdevol was opgevoed en opgegroeid.

Dat veranderde toen ik (wat ouder werd en) mijn ex-man leerde kennen. Ook hij groeide op in Limburg maar woonde inmiddels ook al lange tijd boven de rivieren. Allebei compleet vergroeid met en senang in de Randstad, maar opgegroeid in een compleet andere omgeving. Naast zoveel andere dingen verbond het ons. Ik betrapte me er op dat ik jaloers was op het feit dat hij wél moeiteloos kon omschakelen naar een foutloos Limburgs dialect, waarbij ik nog nauwelijks een woord Limburgs spreek. Door hem vond ik mijn liefde voor het vieren van Carnaval terug. En juist bij het vieren van Carnaval vond ik langzaam weer verbinding met mijn roots, want als er iets een ultiem Limburgs volksfeest is dan is het dat wel. Ook zag ik bij een vriendinnetje hoe mooi het kan zijn als je naast je huidige leefomgeving ook nog een andere cultuur hebt waar je basis ligt. Haar trots en verbondenheid daarmee raakte me.

Het grappige is dat wanneer je uit zo’n toch wel heel andere omgeving komt als de omgeving waarin je nu leeft, je eigenlijk bij geen van tweeën volledig hoort: hoewel mijn zachte G al veel minder sterk is, is het voor de mensen hier duidelijk dat ik niet uit de Randstad kom. Als ik echter in Limburg ben, zal niemand meer Limburgs tegen me praten omdat iedereen door mijn accent aanneemt dat ik “een Hollander ben”.

Trots op mijn afkomst is een groot woord, maar ik sta wel weer stevig met mijn benen verankerd in mijn roots. Het heeft iets speciaals om een bepaalde culturele achtergrond te hebben, al gaat het hier ‘slechts’ om een andere provincie in hetzelfde land. Geen haar op mijn hoofd die er aan denkt om de komende dertig jaar terug te verhuizen naar Limburg, maar als ik er ben, voelt het toch weer als mijn thuis. Ik kom er vandaan, en daar opgroeien heeft me deels ook gevormd tot de persoon die ik ben (in positieve en in negatieve zin).

En als me dat even ontschiet, dan zet ik gewoon weer een gekke hoed op mijn hoofd en ga ik met een (alcoholvrij) biertje in mijn hand meehossen op  Limburgse carnavalskrakers.

Er is weinig dat mij in het leven gelukkiger kan maken dan de herfst. Vanaf het moment dat je eind augustus opeens de herfst in de lucht ruikt, ben ik een gelukkig mens. De kleuren van de bomen, het feit dat Kerstmis er aan komt, Pumpkin Spice Latte bij Starbucks, kruidnootjes in de winkel, eindelijk weer kunnen hardlopen (niets vreselijkers dan hardlopen bij temperaturen boven de tien graden) maar most of all: kou en frisheid. Weg zijn die bedompte zomerdagen met vochtigheid, insecten en een brandende zon. Hallo frisse lucht, blosjes op je wangen en de geur van brandend haardvuur. Het maakt mij niet uit of in de herfst de zon schijnt, of dat de lucht grijs is: zolang de temperaturen maar rond de 10-12 graden liggen, zit ik in mijn winterjas op mijn fiets, de lucht opsnuivend als een cocaïne-verslaafde. De klok een uur terug waardoor het eerder donker is? Yes please, ik houd ervan en avondwandelingen in het donker zijn zo veel fijner.

Menigeen zal dit met opgetrokken wenkbrauwen lezen, terugverlangend naar de lange zomeravonden waarbij tot laat met een biertje op het terras gezeten kon worden. En het is niet dat ik daar niet van houd. Maar weet je, drie, vier avonden daarvan is genoeg. Een dagje op het strand liggen in Valencia deze zomer? Vond ik heerlijk. Voor een dag. Zomerjurkjes kunnen dragen? Prima, maar ik word toch gelukkiger van warme vesten, UGGs en sjaals. Waar andere mensen in de herfst- en wintermaanden juist op vakantie gaan naar een warm en zonnig land, ga ik juist naar het mogelijk nog koudere New York voor tien dagen. Waarom? Omdat er voor mij geen ultiemer herfstgevoel bestaat dan Thanksgiving vieren en wandelen door een oranje Central Park.

Nu zal ik absoluut de laatste zijn die de term ‘depressie’ lichtzinnig gebruikt (dat gebeurt tegenwoordig helaas te vaak), maar ik durf wel te beweren dat ‘zomerdepressie’ op mij van toepassing is. Het feit dat ik in de zomer grotendeels thuis zat, maakte mijn depressie er absoluut niet beter op. Sterker nog, ik durf te stellen dat een van de redenen waarom het nu beter lijkt te gaan met me (naast therapie, medicatie en de honderdduizend dingen die ik doe om me beter te voelen), is dat de zomer voorbij is en het herfst is. Echt, waar andere mensen last hebben van winterdepressies, voel ik me het slechtst in de zomer. Ieder jaar weer.

Alle mensen die de kou nu al zat zijn, gun ik een fijne zonvakantie in een warm land, een bezoekje aan de zonnebank of een goede zomer volgend jaar. Maar ik ga nog even zielsgelukkig snuivend een avondwandeling maken, vierend dat het nog 231 dagen is totdat die vreselijke zomer weer begint.