Het was een dinsdagavond in oktober, misschien wel november. Zes jaar geleden. Een avond waarop mijn leven op meerdere manieren een nieuwe wending kreeg. Ik had zojuist een sollicitatiegesprek gehad bij het bedrijf waarbij ik uiteindelijk mijn eerste, echte baan na mijn afstuderen zou krijgen. Ik wist het toen nog niet, maar degene met wie ik het gesprek had, had toen eigenlijk al besloten dat ik de baan zou krijgen. Hij bood aan me een rondleiding te geven door het, gezien het tijdstip, al bijna uitgestorven bedrijf.

Dat was het moment dat ik hem voor het eerst zag. Zijn tas inpakkend want ook hij stond op het punt naar huis te gaan. Pas vele jaren later realiseerde ik het me pas echt, maar het was raak vanaf het moment dat hij mij aankeek. Pats, boem, recht in mijn hart. Met zijn lach, zijn plagerij, zijn ogen. Die mooie ogen. Het zou nog ruim twee jaar duren voordat we echt tegen elkaar durfden zeggen dat we het met elkaar aan wilden gaan. Ondanks het leeftijdsverschil en de situaties waarin we beiden zaten.

Wat volgde, waren de mooiste jaren die ik heb meegemaakt. We beklommen de hoogste bergen en hielpen elkaar steeds verder naar een nog hogere top. We gingen samen de wereld aan, waren nooit met elkaar uitgepraat en leefden in onze eigen bubbel. “Je wordt altijd met een glimlach wakker”, zei hij op een van de vele ochtenden dat hij mij wakker maakte. Maar wat kon ik anders; me realiserende dat ik weer een dag met hem kon aangaan? De wereld kon op z’n kop staan en de pleuris kon uitbreken, het maakte allemaal niet uit, want ik kwam thuis bij hem; wat had ik nog meer nodig?

Na twee weken wisten we eigenlijk al dat we met elkaar wilden trouwen. Na acht maanden vroeg hij mij ten huwelijk. Onder een palmboom in Madrid. Ik had nooit veel op met trouwen, maar met hem was er geen twijfel over mogelijk. We trouwden twee jaar, twee maanden en twee dagen later. In een prachtig landhuis, met onze familie en vrienden om ons heen. The Beach Boys zongen: “God only knows what I’d be without you.

Niet alleen God weet het. Ik inmiddels ook. Over twee dagen zouden we een jaar getrouwd zijn, maar we zijn al zeven maanden uit elkaar. Hij wilde niet meer. De bubbel van ultieme, allesomvattende liefde is uit elkaar gespat.

Ik heb de afgelopen maanden geleerd wat ik zonder hem ben. Op sommige momenten extreem verdrietig, op andere momenten sterk en vol vertrouwen naar de toekomst. Ik heb ook geleerd dat ik best stoer genoeg ben om zelf een spin uit mijn huis te zetten, en ook best zelf iets kan repareren.

“If you should ever leave me, life would still go on, believe me.” Ja, het leven gaat door, zij het wat gebutst en gedeukt. De liefde is hard. En daarom ook zo mooi. Ik draag de goede herinneringen en de pijn voor altijd bij me, zij aan zij, hand in hand. Ze gaan een plek krijgen, voeden me maar remmen me niet af. Want daar is liefde te mooi voor.

Oma zou vandaag 90 jaar zijn geworden. De leeftijd waar ze zó naar uitkeek. Ze had het zaaltje in het wooncomplex waar ze woonde al gereserveerd en de muzikant ook al ingehuurd, ruim zeven maanden voordat ze jarig zou zijn. Zo’n zin had ze er in. Helaas zal ze altijd 89 blijven, ze overleed op 13 februari.

Mijn lieve oma, die ik zo ontzettend mis. Tijdens haar uitvaart, waarbij honderd man aanwezig waren, haalden we herinneringen op aan alle gekke en lieve dingen die ze deed. Als haar kinderen van opa voor straf zonder eten naar bed moesten, takelde zij stiekem een mandje met eten omhoog naar het slaapkamerraam. Ze was altijd druk aan het rommelen in huis, maar liet alles uit haar handen vallen om uren spelletjes met ons te spelen. Ze sprak me streng toe als ik geen onderhemd droeg onder mijn crop-top bij een temperatuur van dertig graden en liet me geloven dat ze magische krachten had toen ik een oorontsteking had. Ze deed ochtendgymnastiek met ons als we bleven logeren en maakte gebakjes van onze hartige boterhammen. Ze stuurde mijn ex-vriend tot aan haar dood nog verjaardags- en kerstkaarten “want dat was zo’n leuke jongen” (ook al was ik inmiddels getrouwd met een andere man, die ze overigens net zo leuk vond). Haar verjaardagskaarten waren sowieso legendarisch: volgeplakt met spreuken en plaatjes uit reclameblaadjes en tijdschriften.

Oma leerde ons het positieve van alles in te zien en bleef altijd vrolijk. Bij alles wat misging gaf ze de schuld aan “dat volk daarboven” of aan de wandelstok waarmee ze tot enkele jaren terug liep en ze maakte van alles in het huishouden een spelletje (bijvoorbeeld pas de afwas doen als de torentjes van serviesgoed op het aanrecht omvielen).  Maar bovenal was ze een heerlijke eigengereide vrouw die werkelijk waar geen snars gaf om wat anderen van haar dachten. Als je haar een advies gaf, keek ze je met een half glimlachje aan en zei ze: “Denk je dat?” om het vervolgens compleet te negeren.

Toen oma overleed, vonden we een envelop met daarin een briefje met haar wensen voor de uitvaart: wie wel en niet uitgenodigd diende te worden, hoe de kist eruit moest zien en welke muziek gedraaid moest worden, met als hoogtepunten: “songs en tunes van Roda JC (naast opa haar grote liefde) en Always Look on the Bright Side of Life van Monty Python. Yep, echt waar.

Lieve oma, zoals Frank Sinatra op jouw uitvaart zong: you did it your way, en een mooiere levensles had je ons niet kunnen geven.

 

Vanochtend las ik een interview in AD Magazine met Martha Visser waarin zij zegt: “Mensen denken bij een depressie nog altijd aan iemand die als een hoopje ellende op de bank ligt en tot niets meer in staat is. Dat kan, maar hoeft helemaal niet zo te zijn. Zo kan ik best gezellig op een terras zitten, om daarna weer helemaal in beslag te worden genomen door dat donkere gevoel”.

En zo is het. Heel veel mensen merken niet aan mij dat ik in een depressie zit, niet op een eerste oogopslag. Ik kan nog steeds vrolijk en spontaan zijn en dankzij een levenslange training in coping mechanismen lach ik veel. Maar dat betekent niet dat het van binnenin niet stormt, dat mijn middenrif zich niet samen knijpt van angst en stress en dat ondanks die lach op mijn gezicht de tranen in mijn ogen branden. En dat als ik inderdaad gezellig op dat terras gezeten heb, ik daarna tot niets meer in staat ben. De bedrijfsarts gaf mij afgelopen week aan het einde van ons gesprek mee: “Lach eens wat minder. Het moet toch dodelijk vermoeiend zijn om iedere keer maar weer dat masker op te zetten?”

Dat masker is echter niet iets wat ik iedere keer weer opzet; het zit eerder vastgeroest op mijn gezicht (à la Leonardo DiCaprio in The Man in the Iron Mask zeg maar). Collega’s en andere mensen die verder van mij afstaan dan mijn allerbeste vrienden zullen weinig merken van mijn depressie. Tijdens de paar uur per week die ik op kantoor ben, doe ik mijn werk (een soort van), heb ik lol met mijn leukste collegaatje en heb ik gezellige niets-aan-de-hand telefoongesprekken met zakenrelaties.

Tijdens deze telefoongesprekken maar ook tijdens de chit-chat bij de koffiemachine (of, in mijn geval, de waterkoker) realiseer ik me ook weer hoe zeer de vraag “Alles goed?” verweven is in het begin van een gesprek. “Hi, alles goed?” “Ja hoor, met jou?” “Druk druk druk”. Hoe vaak herhalen we dit riedeltje niet op een dag? Het lijkt wel voorgeprogrammeerd. Maar hoe oprecht is deze vraag, en, nog veel belangrijker: hoe oprecht is ons antwoord?

Als we deze vraag stellen, willen we dan daadwerkelijk het antwoord weten? Of is het meer een logische toevoeging aan het anders toch wat kale “Hallo” of een variant daarop? Ik betrap mezelf er te vaak op dat ik de vraag stel, zonder dat ik echt bewust wil weten hoe het met de ander gaat, dat ik het antwoord niet eens echt registreer of – nog veel erger – ik al bezig ben de volgende persoon in de groep te begroeten zonder het antwoord van de eerste persoon af te wachten. En ik ben daarin niet alleen. Daarnaast, hoe vaak geven we een oprecht antwoord op de vraag hoe het met ons gaat? Gooien we dan echt al onze zieleroerselen op straat? Zeker niet als het hier niet een beste vriend(in) of familielid betreft.

Ik denk dat weinig mensen zitten te wachten op een oprecht antwoord van mij in de trant van: “Nou, eigenlijk ontzettend klote. Ik heb een depressie, de liefde van mijn leven besloot ons huwelijk na vijf maanden te beëindigen en oh ja, ik kan maar negen uur per week werken. Maar hoe gaat het met jou?”. Zelfs op een slechte dag merk ik dat mijn keel al automatisch de klanken van “Goed” begint te vormen voordat de vraag daadwerkelijk volledig uitgesproken is. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit op een ongelooflijke klote dag een onschuldige vragensteller gebombardeerd heb met al mijn frustraties en irritaties om vervolgens te zeggen: “Maar goed, waarvoor belde je?”.

Trouwens, mocht ik de vraag al oprecht willen beantwoorden, ik zou met de beste wil van de wereld geen goed antwoord kunnen bedenken. Want to be fair, ik weet niet hoe het met me gaat. In ieder geval niet goed, zoveel is duidelijk. Er zijn echter dagen die minder slecht zijn dan andere dagen. Er zijn ook dagen die best ok zijn: waarop ik niet doodmoe ben, waarop ik wel wat prikkels kan verdragen en waarop ik zelfs soms een positieve emotie voel in plaats van numbness of darkness. Maar zelfs zo’n dag zou tijdens mijn pre-depressie periode niet kwalificeren als een goede dag, meer als een ‘meh-dag’.

Misschien moet ik dat masker maar eens definitief losweken. Mensen mogen zien dat het niet goed gaat, hell, ik ben nu eenmaal ziek. Met een gebroken been loop je ook niet gewoon door om te verbergen dat je het hebt. En hey, Leonardo bleek onder dat masker ook best knap, toch?

Eind september 2016, Formentera. Mijn toenmalige geliefde en ik zijn op huwelijksreis, maar ik zit niet lekker in mijn vel. Al maanden niet, als ik heel eerlijk ben. Nog meer dan normaal kan ik bijvoorbeeld niet tegen abnormale of harde geluiden, in dit geval de krekels die zich hoorbaar maken zodra de zon opkomt. Huilend, bijna krijsend zit ik in ons appartement, in staat om mijn haren uit mijn hoofd te trekken of mijn hoofd tegen de muur te bonken.

Enkele dagen later. Na nog een paar moeilijke momenten drinken we ’s avonds een wijntje in het dorp. Dat is de eerste keer dat ik het uitspreek: “Volgens mij heb ik weer een depressie”. Ik leg mijn geliefde uit hoe het de keren ervoor was en hoe meer ik er over nadenk, hoe meer het tot me doordringt: “Shit, het is weer zover”.

Na onze vakantie ga ik naar de huisarts die al na een paar minuten de verwijzing naar de psycholoog opstelt. Na twee gesprekken komt de diagnose en kan ik het niet meer ontkennen want het staat zwart-op-wit in het behandelplan: een ernstige depressie. Een therapie-traject volgt. Dat lijkt zijn vruchten af te werpen totdat het stuklopen van mijn huwelijk en de dood van mijn oma begin dit jaar me het laatste zetje over de rand geeft. De zwarte hond is definitief (althans met een huurcontract van minimaal een jaar) bij mij ingetrokken.

Rond de tijd dat ik mij in Formentera realiseer dat het niet goed met mij gaat, lanceert de Rijksoverheid een landelijke campagne met als doel depressie bespreekbaar te maken en de kennis erover te vergroten. 1 op de 20 Nederlanders worstelt met een depressie en de campagne moet het taboe omtrent deze ziekte wegnemen.

Het woord ‘taboe’ doet mij altijd denken aan de illustere dingen die op de late zondagavond bij Jambers te zien waren. In mijn hoofd refereert ‘taboe’ aan duistere (seksuele) voorkeuren, dingen op de rand van de illegaliteit en meer conventionele dingen die in een dorp in de Biblebelt toch nog steeds achter gesloten deuren plaatsvinden.

Behoort een depressie hiertoe? Voor veel mensen zeker wel, maar de ziekte lijkt toch minder in het verdomhoekje te zitten. We worden – helaas – bedolven onder de nieuwsberichten van wederom een zelfmoord van een artiest die onder invloed van een depressie geen andere uitweg meer zag. Tijdschriften wijden uitgebreide artikelen aan de ziekte en de #insidemybones-campage van Dotan zorgde voor veel persoonlijke verhalen op social media, waaronder veel verhalen over depressie. Waar een depressie wellicht tien, twintig jaar geleden inderdaad nog de Voldemort onder de ziektes was (the disease who shall not be named), wordt hij nu gemakkelijker in één adem genoemd met griep en voedselallergieën. Toch, zo stelt de minister in het persbericht omtrent de landelijke campagne, is een depressie nauwelijks onderwerp van gesprek.

Ik prijs mezelf meer dan gelukkig dat ik vrienden, familie en een werkgever heb voor wie een depressie absoluut geen taboe is. Iedereen met wie ik (schoorvoetend en soms zelfs beschaamd) mijn huidige state of mind deel, reageert zonder uitzondering positief en ondersteunend. Zoals ik ook deed toen enkele vrienden van mij jaren geleden met mij deelden dat zij leden aan een depressie.

Maar waarom dan toch dat schoorvoetend delen? Omdat we voor onszelf altijd harder zijn dan voor anderen. Mijn therapeut houdt mij deze spiegel keer op keer voor als ik weer verzand raak in een monoloog over al mijn negatieve kanten: “Zou jij dit ook over een vriendin zeggen die een depressie had? Zou jij dit over een vriend zeggen die op dezelfde manier handelt als jij?” Mijn antwoord is steevast (lichtelijk verontwaardigd): “Nee, natuurlijk niet!” Maar het is nu eenmaal heel lastig om op je 31e te moeten accepteren dat je inderdaad iedere dag doodmoe bent en soms niet eens je bed uit kan komen; dat niet 40 uur maar 6 uur per week werken de harde realiteit is en dat de prikkels van een concert of festival nu gewoon even te veel zijn. Het voelt als keihard falen.

Mijn omgeving ziet mijn depressie niet als een olifant in de kamer of een groot taboe. Nee, mijn vrienden hebben de zwarte hond die naast mij loopt geaccepteerd. Ze geven hem zo nu en dan een aai of een koekje, en sturen hem op andere momenten naar zijn hok.

En ik? Ik ben gewoon allergisch voor honden.