Eind september 2016, Formentera. Mijn toenmalige geliefde en ik zijn op huwelijksreis, maar ik zit niet lekker in mijn vel. Al maanden niet, als ik heel eerlijk ben. Nog meer dan normaal kan ik bijvoorbeeld niet tegen abnormale of harde geluiden, in dit geval de krekels die zich hoorbaar maken zodra de zon opkomt. Huilend, bijna krijsend zit ik in ons appartement, in staat om mijn haren uit mijn hoofd te trekken of mijn hoofd tegen de muur te bonken.

Enkele dagen later. Na nog een paar moeilijke momenten drinken we ’s avonds een wijntje in het dorp. Dat is de eerste keer dat ik het uitspreek: “Volgens mij heb ik weer een depressie”. Ik leg mijn geliefde uit hoe het de keren ervoor was en hoe meer ik er over nadenk, hoe meer het tot me doordringt: “Shit, het is weer zover”.

Na onze vakantie ga ik naar de huisarts die al na een paar minuten de verwijzing naar de psycholoog opstelt. Na twee gesprekken komt de diagnose en kan ik het niet meer ontkennen want het staat zwart-op-wit in het behandelplan: een ernstige depressie. Een therapie-traject volgt. Dat lijkt zijn vruchten af te werpen totdat het stuklopen van mijn huwelijk en de dood van mijn oma begin dit jaar me het laatste zetje over de rand geeft. De zwarte hond is definitief (althans met een huurcontract van minimaal een jaar) bij mij ingetrokken.

Rond de tijd dat ik mij in Formentera realiseer dat het niet goed met mij gaat, lanceert de Rijksoverheid een landelijke campagne met als doel depressie bespreekbaar te maken en de kennis erover te vergroten. 1 op de 20 Nederlanders worstelt met een depressie en de campagne moet het taboe omtrent deze ziekte wegnemen.

Het woord ‘taboe’ doet mij altijd denken aan de illustere dingen die op de late zondagavond bij Jambers te zien waren. In mijn hoofd refereert ‘taboe’ aan duistere (seksuele) voorkeuren, dingen op de rand van de illegaliteit en meer conventionele dingen die in een dorp in de Biblebelt toch nog steeds achter gesloten deuren plaatsvinden.

Behoort een depressie hiertoe? Voor veel mensen zeker wel, maar de ziekte lijkt toch minder in het verdomhoekje te zitten. We worden – helaas – bedolven onder de nieuwsberichten van wederom een zelfmoord van een artiest die onder invloed van een depressie geen andere uitweg meer zag. Tijdschriften wijden uitgebreide artikelen aan de ziekte en de #insidemybones-campage van Dotan zorgde voor veel persoonlijke verhalen op social media, waaronder veel verhalen over depressie. Waar een depressie wellicht tien, twintig jaar geleden inderdaad nog de Voldemort onder de ziektes was (the disease who shall not be named), wordt hij nu gemakkelijker in één adem genoemd met griep en voedselallergieën. Toch, zo stelt de minister in het persbericht omtrent de landelijke campagne, is een depressie nauwelijks onderwerp van gesprek.

Ik prijs mezelf meer dan gelukkig dat ik vrienden, familie en een werkgever heb voor wie een depressie absoluut geen taboe is. Iedereen met wie ik (schoorvoetend en soms zelfs beschaamd) mijn huidige state of mind deel, reageert zonder uitzondering positief en ondersteunend. Zoals ik ook deed toen enkele vrienden van mij jaren geleden met mij deelden dat zij leden aan een depressie.

Maar waarom dan toch dat schoorvoetend delen? Omdat we voor onszelf altijd harder zijn dan voor anderen. Mijn therapeut houdt mij deze spiegel keer op keer voor als ik weer verzand raak in een monoloog over al mijn negatieve kanten: “Zou jij dit ook over een vriendin zeggen die een depressie had? Zou jij dit over een vriend zeggen die op dezelfde manier handelt als jij?” Mijn antwoord is steevast (lichtelijk verontwaardigd): “Nee, natuurlijk niet!” Maar het is nu eenmaal heel lastig om op je 31e te moeten accepteren dat je inderdaad iedere dag doodmoe bent en soms niet eens je bed uit kan komen; dat niet 40 uur maar 6 uur per week werken de harde realiteit is en dat de prikkels van een concert of festival nu gewoon even te veel zijn. Het voelt als keihard falen.

Mijn omgeving ziet mijn depressie niet als een olifant in de kamer of een groot taboe. Nee, mijn vrienden hebben de zwarte hond die naast mij loopt geaccepteerd. Ze geven hem zo nu en dan een aai of een koekje, en sturen hem op andere momenten naar zijn hok.

En ik? Ik ben gewoon allergisch voor honden.